Calamiteitenfunctie algemeen

Sinds 1991 fungeren de regionale radiozenders formeel als z.g. calamiteitenzender. Dat wil zeggen dat de regionale omroepen in geval van rampen of calamiteiten direct gebruikt moeten kunnen worden voor mededelingen voor de burgers het z.g. bevoegd gezag. Bijvoorbeeld de burgemeester of het hoofd van een veiligheidsregio. Tussen de veiligheidsregio's en de dertien regionale omroepen zijn convenanten afgesloten over de functie van de regionale radiozenders bij rampen en calamiteiten. 

Via de website http://www.nederlandveilig.nl/noodsituaties/noodsituaties/ wordt verwezen naar de regionale omroepen als calamiteitenzenders. 

In het verleden zijn er goede en minder goede voorbeelden geweest over de inzet van de regionale omroep als rampenzender. Het meest bekende -goede- voorbeeld is de inzet van RTV Oost bij de vuurwerkramp in Enschede op 13 mei 2000. De commissie Oosting concludeerde in zijn evaluatie dat de regionale omroep een grote meerwaarde als communicatiekanaal met de bevolking. De comissie beveelde aan de positie van de calamiteitenzender te versterken en deze vanwege de sterke behoefte van bewoners van een getroffen gebied aan specifieke, lokaal relevante informatie een voorkeursbehandeling te geven ten opzichte van andere media.

Slechte voorbeelden zijn er helaas ook. Bij het z.g. Ketelwagenincident in Amersfoort en bij het VOPAK-incident in Vlaardingen zijn de betreffende regionale omroepen onterecht niet ingeschakeld.

Op verzoek van het Ministerie van Binnenlandse zaken is in 2005 het rapport Met Beeld en Beleid, de rol van de regionale publieke zender bij crises en rampen verschenen. De belangrijkste aanbevelingen zijn :

  • dat naast radio ook televisie ingezet moet worden voor communicatie met de burgers;
  • dat volstrekt duidelijk moet zijn of het om officiele informatie gaat of over vrij nieuwsgaring;
  • dat aan de inschakeling van de calamiteitenzender altijd een opdracht van het bevoegd gezag vooraf gaat;
  • dat voor een goed functioneren van de calamiteitenzender de verplichting van partijen tot een convenant wettelijke verankerd moet zijn;
  • dat regionale omroepen moeten mee-oefenen;
  • calamiteitenzenders onderdeel moeten zijn van het veiligheidsbeleid;
  • dat een verbetering nodig is ten aanzien van de inhoudelijke en financiele verantwoording van de regionale omroepen in hun functie als calamiteitenzender;
  • de kosten die regionale omroepen maken bij de uitoefening van hun functie als calamiteitenzender vergoed moeten worden;
  • dat een verruiming van het budget nodig is voor de beschikbaarheidsfunctie.

Tot grote onvrede van ROOS is er sinds het rapport begin 2005 verscheen nog steeds geen vervolg gegeven op de belangrijke aanbevelingen van het rapport. Net na de zomer 2009 liet de minister weten dat zij televisie facultatief wil maken ondanks een motie van de Tweede Kamer waarin gevraagd werd televisie als calamiteitenzender te formaliseren. Met andere woorden betekent dit dat de Minister geen formele status geeft aan regionale televisie als calamiteitenzender. Dat houdt onder meer in dat formeel nog steeds alleen maar radio dienst doet als calamiteitenzender.

Ook de laatste  jaren zijn er geen nadere collectieve afspraken gemaakt over de uitvoering van de calamiteitenfunctie via radio, televisie en online/internet. Internet is voor veel mensen een eerste informatiebron geworden en de websites van regionale omroepen worden ook veel bezocht bij calamiteiten (en groot nieuws). Dit is een nieuw punt van gesprek tussen de overheid en de regionale omroep. De burger verwacht enerzijds informatie via de websites van de regionale ormoep. Anderzijds worden robuuste websites voor grote bezoekersaantallen tijdens calamiteiten niet bekostigd door de overheid.

 

mobiele versie